Carnaval

Hoewel ik niet uit het zuiden van Nederland kom, ben ik een enthousiaste carnavalsvierder. Geboren en getogen in (de buurt van) Arnhem heeft vooral mijn middelbareschooltijd op een Katholieke school in die stad daarbij een stevig handje geholpen. Hoewel Arnhem nog net niet “boven de grote rivieren” ligt, is het carnaval daar toch al vrij stevig ontwikkeld. Mijn school stond minstens een hele week volledig op zijn kop en als lid van de carnavalsvereniging (met de illustere naam “De Tomaat”) organiseerde ik vrolijk aan het festijn mee.

Toen ik vervolgens in Utrecht ging studeren, want daar gebeurt op het gebied van carnaval bitter weinig, heb ik mijn feestneus een aantal jaren opgeborgen. Totdat ik een aantal Limburgse vrienden kreeg en vanaf dat moment bijna geen jaar meer heb overgeslagen. Toen ontdekte ik dat het er onder de rivieren toch nog wel even wat anders aan toe gaat dan erboven. De optocht was altijd het absolute hoogtepunt en met de vriendengroep werden de meest fantastische creaties verzonnen en in elkaar gezet. Zo origineel (en onherkenbaar) mogelijk liepen we door weer en wind door de straten van Venlo en later Maastricht. Hoewel ik het dialect zelf niet goed spreek, heb ik in die tijd een behoorlijk mondje Limburgs geleerd. Want je moet natuurlijk wel met iedereen kunnen ouwehoeren en de liederen kunnen meebrullen!

Ik had sinds ik in Spanje woon veel over het carnaval van Cádiz gehoord. Wie alleen al op Wikipedia kijkt, ziet termen als “een van de meest bekende carnavals ter wereld” voorbijkomen. Ook mijn Spaanse vrienden in het dorp zeiden dat “de stad dan volledig op zijn kop staat” en dat “de mensen, van jong tot oud, verkleed 24 uur per dag aan het feesten zijn”. Samen met mijn twee broers, die ongeveer hetzelfde ‘carnavalspad’ hebben bewandeld als ik, vatten we het plan op om dit jaar maar eens in Cádiz te gaan kijken. Voorzien van capes en Venetiaanse maskers liepen we op zaterdag 6 februari over de zonovergoten boulevard van Cádiz richting het oude centrum. Onderweg werden we door tientallen Spanjaarden gevraagd of ze met ons op de foto mochten en minstens evenzoveel keer werd er in het voorbijgaan een camera op ons gericht. Dat we alle drie minstens 1.90 m lang zijn, zal daar ongetwijfeld bij hebben geholpen.

Aangekomen op het grote plein bij de kathedraal, liepen we tegen een enorme menigte aan. Het eerste wat ons opviel, was dat maar een klein gedeelte daarvan ook verkleed en geschminkt was (of soms net voorzien van een pruik of twee ingekleurde rode wangen). In het oog springend was verder het geringe aantal buitenlanders. Wel blijkt het feest een grote nationale aantrekkingskracht te hebben, want ik heb mensen gesproken uit Bilbao, Madrid en Barcelona. Nog een opvallend verschijnsel was dat het vooral een feest voor jongeren leek, want op het plein behoorde je als dertigplusser (laat staan als veertigplusser) al snel tot de oudere garde. Tot slot waren er nauwelijks bandjes op straat te vinden en ontbrak op veel plekken muziek zelfs helemaal. Gedanst werd er dus niet en het recept bestond vooral uit bier drinken en kletsen. Gelukkig kan ik dat allebei heel behoorlijk en heb ik samen met mijn broers, onherkenbaar verkleed en geschminkt, alsnog een prima avond beleefd!

De dag erna vond de grote optocht (la gran cabalgata) plaats. Nog eenmaal volledig opgeladen en opgetuigd togen we na de optocht de stad weer in. “Vandaag is het feest vast en zeker groter dan gisteren,” zeiden we verwachtingsvol tegen elkaar. Vol enthousiasme en gezonde wedstijdspanning liepen we het oude centrum weer binnen. Achteraf had de stroom mensen die ons in burgerkleding in tegengestelde richting passeerden ons al aan het denken moeten zetten. Want toen we de hoek om liepen en op het grote plein aankwamen, heerste daar een bijna serene rust! Gelukkig spreek ik Spaans, maar ondanks het veelvuldig vragen aan de autochtonen waar we precies moesten zijn, hebben we het grote feest die avond niet meer aangetroffen. In onze outfit, die de dag ervoor nog voor zoveel aandacht had gezorgd, liepen we er voor ons gevoel een beetje verloren bij. We hebben ons toen maar overgegeven aan de rijke gastronomie van de stad en hebben ons, zonder masker op, aan de dinertafel uitstekend vermaakt.

Het carnaval in Cádiz duurt maar liefst de volle tien dagen en de boog kan natuurlijk niet die hele tijd gespannen staan. De setting, een zonovergoten boulevard met palmen, een strakblauwe lucht en een prachtig historisch centrum, maakte wel weer veel goed. De dag erna, terwijl ik weer naar huis reed, bedacht ik me twee dingen. Het eerste was: volgend jaar stap ik toch maar weer tweeënhalf uur in het vliegtuig in plaats van in de auto. En daarnaast: je kunt van alles over het commerciële inzicht van de Spanjaarden zeggen, maar ze weten hun carnaval in ieder geval goed in de markt te zetten!