Back to basic

Deze zomer, onze derde in Spanje, besloten we voor het eerst ‘vakantie in eigen land’ te vieren. Het plan dat we al hadden toen we nog in Nederland woonden, werd eindelijk werkelijkheid: kamperen in Asturias en Cantabrië in Noord-Spanje. Al een aantal keer waren we er, toen nog zonder kinderen, vanuit Nederland naar op weg geweest. Maar even zoveel keer werd tijdens een tussenstop in de Pyreneeën zorgvuldig de weersverwachting in Asturias bestudeerd en kwamen we tot de conclusie dat we twee weken regen niet erg aantrekkelijk vonden. Onze bestemming werd toen moeiteloos gewijzigd in Valencia of Catalonië. Want als je als Nederlander in de zomer naar het zuiden gaat, wil je natuurlijk wel zon zien. Zo niet dit jaar: na de heetste zomer in Spanje in veertig jaar tijd gingen we lekker afkoelen. Een buitje meer of minder: kom maar op!

We namen de oude tent van mijn ouders uit mijn kindertijd mee, voor de kenners een onverwoestbare ‘De Waard’. Gewoon recht toe recht aan met schuine daken, een dubbeldaks katoenen slaapgedeelte en een enkeldaks voortent. Al ruim 35 jaar oud en niet kapot te krijgen. Na het proef opzetten in onze achtertuin en het vervangen van een paar rubberen ringetjes die de tand des tijds niet hadden doorstaan, waren we er helemaal klaar voor.

Als je gaat kamperen, ben je er alleen met het meenemen van de tent nog niet: luchtbedden, pomp, slaapzakken (jawel!), hoofdkussens, tafel, stoelen, kookspullen, kleren, handdoeken en zo nog een hele waslijst moesten vanzelfsprekend ook mee. Normaal gesproken is dat in de meeste gevallen niet zo´n probleem, maar mijn auto – een tweedeurs coupé – bleek minder geschikt voor het meenemen van de bagage van een gezin dat twee weken gaat kamperen. “Met mijn ouders en twee broers paste alles ook altijd in de auto”, zei ik vol goede moed tegen mijn vrouw, want ik had geen trek in aanhangwagens of dakkoffers.

Door de badlakens en handdoeken weg te werken bij het reservewiel onder de bodemplaat in de kofferbak en elke vierkante centimeter minutieus vol te stouwen, lukte het waarachtig om alles in te laden. Met de koeltas tussen de kinderen ingeklemd op de achterbank, de slaapzakken onder hun voeten en de hoofdkussens op de hoedenplank, ging het precies. We bezochten drie verschillende campings en drie keer bij het vertrek, wanneer alle spullen netjes bij de auto klaar stonden, loerden ‘onze buren’ (allemaal voorzien van waaiboom koepeltenten en stationwagens) vol interesse hoe die ‘Holandes met die Spaanse nummerplaat’ dat dacht te gaan doen. Mijn lange pas-sessie voor vertrek van huis had zijn vruchten afgeworpen. Met timmermansoog en in een vaste volgorde belandde alles op de beoogde plek in de auto, waarna ik – zogenaamd alsof ik de spiedende blikken niet had gemerkt – joviaal groetend de auto instapte en vertrok.

Met zijn vieren in een driepersoonstent, slapend op een luchtbed en kokend op een enkel gaspitje: het was met recht ‘back to basic’. De tent bleek namelijk met luchtbedden nog net wat krapper dan zonder en mijn kinderen bleken al groter te zijn dan ik me had gerealiseerd. Maar we genoten met volle teugen! De kinderen voorop en mijn vrouw en ik, ondanks de onvermijdelijke rugpijn na een twee weken durende nachtelijke marteling op een luchtbed en een abonnement op de fysiotherapeut naderhand, vonden het ook fantastisch. Heerlijk voor onze De Waard zittend en nippend aan een glas wijn, kwam er een Spaanse moeder met haar kleine dochtertje langs onze tent lopen. Als klap op de vuurpijl hoorde ik haar nog net tegen de kleine meid zeggen: “Kijk, zo ziet nou een echte tent eruit!”